Boom en sabelsprinkhaan

Sabelsprinkhaan zit in het verruigde, hoge gras achter de heg en warmt zich aan de laatste zonnestralen van de dag. Hij strijkt zijn voorvleugels over elkaar. Kort ratelt zijn knerpende zang over de weide.
Hier en daar weerklinkt eenzelfde geluid.
Sabelsprinkhaan knikt tevreden met zijn hoofd.

Vijf kauwtjes vliegen opgewonden langs in de richting van de sloot. Plotseling wijzigen ze van richting, buitelen over elkaar heen en ploffen ongeordend neer in het gras. Druk babbelend lijken ze zich niet bewust van hun omgeving.
Sabelsprinkhaan zwijgt, schudt zijn hoofd en springt van de verdroogde grashalm via de heg naar de okergele elfenbanken die aan een oude boomstronk hangen. Hij kijkt omhoog. ‘Dag beste boom. Ben je tevreden, de laatste tijd?’
‘Jazeker sprinkhaan. Het voelt goed zo,’ antwoordt boom, ‘het was een prettige nazomer. Niet te warm en fijne regen.’

Sabelsprinkhaan buigt een voorpoot boven zijn ogen en tuurt tegen de laagstaande zon in naar de weide.
De kauwtjes hippen door het gras. Eén van hen vliegt op en de anderen volgen. Luidruchtig verdwijnen ze in de richting van waar ze kwamen.
‘Zal ik een lied voor je spelen?’ vraagt sabelsprinkhaan.
‘Graag. Ik ben één en al oor.’
Even fronst sabelsprinkhaan, hij haalt diep adem en strekt zijn achterpoten kort. Dan strijkt hij zijn vleugels langs elkaar. De klanken van zijn lied suizen over het pad langs de heg.
‘Fijn,’ zegt boom.
In de weide weerklinkt het lied.

Plaats een reactie