De tijd dat alle vogels luidruchtig fluiten tijdens de eerste uren van de dag is voorbij. Aan de voet van boom kuiert merel tussen de hoge, rode klavers op en neer. Hij luistert naar het zachte neuriën van boom en tuurt dan behoedzaam omhoog. ‘Wat zing je?’ vraagt hij.
‘O, zomaar een lied,’ antwoordt boom. ‘Ik hoorde het bij een van de buren.’
Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt merel om zich heen. ‘Bedoel je bij de knotwilgen?’ Hij vliegt op en landt op het uiteinde van een zware tak van boom.
‘Nee joh,’ zegt boom lachend, ‘het is een lied van de berken aan de andere kant van de weide.’
Merel tuurt in de verte, waar hij achter de heg die de weide omzoomd nèt de witte berkenbasten kan zien. Zijn blik gaat over in een frons.
‘Het zit zo,’ legt boom uit. ‘Wij luisteren onder de grond naar elkaar met onze wortels. Als de berken in gesprek zijn, dan praat ik wel eens mee. Het is reuze gezellig en voor mij is een verre buur zo ook een goede vriend.’ Hij neuriet verder, luider nu.
Merel spitst zijn oren, maar hij hoort niks uit de richting van de berken. Dan legt hij zijn kop stevig tegen de dikke bast van boom. En even, heel even, meent hij een lied te horen. Hij zucht kort en humt.
Met een blik van waardering kijkt boom hem aan.