Dwars over het pad aan de voet van boom loopt in beide richtingen een eindeloze stroom mieren heen en weer. De gele bloemen van de lissen staan als fakkels in het gelid langs de waterkant en de groene bladeren aan hun stengels wijzen omlaag naar het traag voorbij stromende water.
Laag, indringend gekras doorbreekt de stilte van de vroege avond en een paar tellen later landt kraai op een hoge tak van boom. ‘Goedenavond!’ roept hij.
‘Hallo,’ zegt boom met een krakende stem. ‘Ik was even weggedoezeld. Dat gebeurt wel eens als je wat ouder wordt.’
‘Heerlijk lijkt me dat,’ zegt kraai. ‘Zoveel rust heb ik niet. Mijn lief zit op het nest en de eieren kunnen elk moment uitkomen.’
‘Mooi, mooi,’ zegt boom. ‘Hoeveel zijn het er?’
‘Wel vijf. Dat wordt een hele klus.’ Met zijn snavel strijkt kraai langs een paar veren.
Een hardloper dendert over het pad. De mieren stuiven uiteen om hun lijf te redden en verleggen hun route een paar centimeter. Ze herpakken hun loopritme als de hardloper nog niet uit het zicht verdwenen is.
‘Heb je al namen?’ vraagt boom.
‘Namen?’ zegt kraai.
‘Voor de kleintjes.’
‘Nee,’ zegt kraai. ‘Daar beginnen we niet aan. Eerst voeden – we vliegen af en aan – dan leren we ze om zelf te vliegen en over twee maanden zijn ze het nest alweer uit. Dat zijn onze taken. Namen…’ Kraai krast en vliegt plotseling met een brede slag weg.
‘Laat je wat horen als het zover is? Ik stuur graag een felicitatie!’ roept boom hem nog na.
De schemer valt en de stroom mieren neemt langzaam af. Langs de zanderige oever van de sloot sluiten de lissen hun bloemen.