Het miezerregent al de hele ochtend en in de verte hult de grote vijver zich in een grauwsluier. Over de hoge brug fietsen ineengedoken in de kraag van hun jas twee scholieren. Het geluid van de muziek uit een van hun telefoons weerkaats onder de brug.
Boom verlegt zijn blik naar drie futen die onder de kleine brug in de sloot dobberen, schuilend voor de regen. Een van de vogels schudt zijn verenpak en veroorzaakt een waterballet. Dan ziet boom vanuit zijn ooghoek een klein hoofd met twee grijsbruine oren en twee glinsterende, zwarte ogen verschijnen.
‘Hoi!’ zegt marter. ‘Hoi boom! Wil je spelen?’ Met dwarse sprongen huppelt ze door het natte gras en de waterspetters vliegen in het rond.
Diepe lachrimpels verschijnen rond de ogen van boom. ‘Natuurlijk! Wat wil je doen?’
‘Iets met water!’ roept marter.
‘Dat is een uitstekend idee,’ zegt boom. Hij kan een grijns niet onderdrukken en hij zwiept met zijn takken van links naar rechts.
‘Wow!’ roept marter en ze springt alle kanten op om de druppels te vangen. Als een paar druppels op haar kop landen duikt ze in het gras en maakt een koprol.
‘Marty! Waar ben je?’ horen ze een stem roepen.
‘O nee!’ zegt marter zacht. ‘Mijn vader.’
‘Kom het hol in. Straks word je nog verkouden!’
‘Ga maar gauw,’ fluistert boom. Hij trekt zijn gezicht in een plooi en marter springt weg tussen de struiken.
‘Heb je Marty gezien?’ vraagt vader marter aan boom.
‘Ik? Nee. Geen idee,’ zegt boom. Hij schudt zijn takken en de druppels vliegen in het rond.