Boom en vink

Tussen de knotwilgen aan de waterkant fladdert een koolmees. De wilgen hebben afgestompte, houten kronen en op verschillende plekken in het gras liggen op elkaar gestapelde wilgentakken.  
Vink landt in het gras aan de voet van boom. ‘Ik moet je wat vertellen, boom. Ik ben zo verschrikkelijk jaloers,’ zegt hij. 
‘Wat?’ zegt boom verbaasd. ‘Op wie?’ 
‘Op jou boom.’ 
Boom valt even stil door deze plotselinge woorden van een oude vriend. Hij kijkt naar twee kuifeenden die in de verte op de grote vijver dobberen. Hun zwarte kuifjes wapperen een beetje in de wind. Met een sierlijke beweging duiken de eenden achter elkaar onder water.  
‘Ik begrijp het niet,’ zegt boom. ‘Waarom? Waarom zou je jaloers zijn op mij?’ 
Vink zucht. ‘Je bent zo groot. Je bent standvastig want je wijkt voor niemand. En bovenal, je weet wie je bent, waar je voor staat.’ 
Ja, nogal wiedes. Ik kan ook nergens heen,’ zegt boom. ‘Maar jij dan, vink? Ben jij niet heel kleurrijk. En muzikaal. En levendig ook!’ 
‘Ik weet het soms niet meer. Het lijkt wel of ik mijn identiteit kwijt ben.’ Vink kijkt bedrukt. Het zijn ook zware woorden voor zo’n kleine vogel.  
De koolmees tsjilpt een keer en verdwijnt in de lage struiken. 
Dan leunt vink een kort moment tegen de stam van boom. Boom voelt zich onthand.  Wat kan hij doen om zijn vriend te helpen?  
‘Niet getreurd, beste vink,’ zegt hij na een poosje. ‘Zullen we wat van elkaar leren? Als jij een mooi lied laat horen, dan probeer ik je na te doen. Ik heb altijd al muzikaal willen zijn.’ 
Een kleine glimlach verschijnt op het gezicht van vink. Dat boom iets van hem wil leren, dat had hij nooit gedacht. Het geluid van hun gezang is die middag nog lang te horen. 

Plaats een reactie