Hond op het tapijt, ik op de bank

Stijfjes draai ik me om. Het dekbed is half van me afgerold. Ik zie niet veel, maar ik hoor getrippel. Ik wrijf in mijn ogen en zie in een halve schaduw hond bij de tafel staan.
‘Pok’, hoor ik. Hij stoot zijn kop.
‘Kom! Kom hier’, fluister ik. Hond doet niks. Hij hoort me ook niet.
Ik richt me half op en zwaai met een arm in het halfduister. Ik hoor donker gezucht. Zijn ademhaling is kort. Dan wankelt hond mijn kant op. Ik aai zijn kop.
‘Het is goed. Ik ben toch hier. Ga maar weer liggen.’ Hij ploft tegen de bank aan. Dan hijs ik het dekbed recht en probeer verder te slapen.

Gelebber bij de waterbak. Ik ben tussen waken en slapen in.
Geen idee hoe laat het nu is. Het ziet er nog even donker uit. Ik draai mijn telefoon om en het scherm licht op. 04:53 uur.
Hond maakt drie rondjes en zakt op het kleed. Ik soes weg bij het geluid van zijn zware ademhaling.

De wekker gaat.
Ik voel me verkreukt.
Als ik aangekleed ben, pak ik zijn riem uit de bak in de gang. Hond is diep in slaap. Ik haal hem op bij het tapijt. Dan weet hij dat we echt naar buiten gaan. Na wat bewegingen links en rechtsom, heeft hij zijn evenwicht gevonden.
Buiten schudt hij zich uit. We trippelen richting zebrapad.
Midden op het zebrapad gaat hij ineens poepen.
‘Wat doe je nu?!’, roep ik uit. Een beetje lomp trekken en ik krijg hem aan de overkant. De drol belandt net in de berm. Achter ons zoeft een auto langs.
Drol in een zakje en het park in. Hond steekt zijn neus in de lucht. Harde wind blaast onze haren door elkaar.

‘Mam’, vraagt zoon later die week ‘Mag ik dan vanavond nog bij Sjors slapen?’
‘Nou’, zeg ik, ‘Eigenlijk is het mijn beurt. Weet je wat. We zien het straks wel.’
Zoon was op het idee gekomen om beneden te slapen. Dat was heel lief. Het hielp een beetje. En het was af en toe.
Daarna ging elke nacht één van ons.
Op de slaapkamer hond erbij was geen goed idee. Hij pieste tegen het bankje aan het bedeinde. En wilde in de ochtend niet naar beneden getild worden.

Die avond sleept man een extra matras naar beneden.
‘Weet je wat we doen’, zei ik tegen zoon, ‘We slapen allebei beneden. Dat is wel het minste wat we kunnen doen. En het maakt nu toch niet meer uit of ik nog een nacht slecht slaap.’
Het is 21:15 uur. Zoon ligt op een matras naast de bank met een Donald Duck. Hond ligt in een hoekje tegen de bank gedrukt. Ik aai zijn kop.
Morgen komt de dierenarts.

Ze zeggen dat honden op hun bazen lijken. Of andersom.
Hond was lief en gezellig. Hij was het minst aanwezige en meest troostrijke onderdeel van het gezin. Hond was goed opgevoed. Hij liep altijd los. Meegaand en toch eigenwijs. Hij blafte weinig en sleepte met kleedjes als er bezoek kwam.
Hond werd doof. Wankel op de poten. En hartstikke dement.

De dierenarts kwam.
Dag! Hond.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s