Meivakantie (jaar 2)

Fragmenten voor een boek.
#boekvankarin

Als Maryam haar oortjes uitdoet, hoort ze de herrie alweer. Haar broertjes gillen en haar moeder roept er doorheen. Iedereen is lichtgeraakt. Het is Ramadan. De eerste week is bijna voorbij.
‘Ramadan mubarak, hoort ze iedereen zeggen. Maar binnenshuis kunnen we gewoon onszelf zijn. En lekker veel herrie maken’, denkt ze.
‘Maryam!’
Haar moeder roept.
‘Maryam, kom je?!’
Ze weet dat ze moet helpen met koken. Voor de Iftar vanavond. Haar moeder vindt het gezellig. En haar vader vindt het belangrijk dat ze ook leert om het huishouden goed te doen. Steeds belangrijker.
‘Zucht’, zegt Maryam tegen zichzelf, ‘Kon ik maar wat meer koken in een proefopstelling zoals op school. Ik heb hier nu wel genoeg kokoskoekjes gezien.’
Ze heeft de laatste maanden veel discussies met haar vader. Vorig jaar was haar vader enthousiast over haar schoolkeuze, maar het lijkt of het minder wordt. Na elk verhaal dat ze vertelt over school vraagt hij haar of ze oma wel heeft gebeld. Of ze wel heeft schoongemaakt. Of ze haar broertjes wel met schoolwerk heeft geholpen. En haar broertjes hoeven helemaal niks te doen. Die rennen boksend door het huis en laten overal hun troep liggen.
‘Shush, Maryam’, zegt haar moeder dan, ‘Niet zo mopperen.’ En dan ze zingt een lied. Haar moeder is altijd luidruchtig.

Nina belt later die avond met Whatsapp. Maryam kan nog snel opnemen voor de Iftar begint.
‘He Nina!’, zegt ze, ‘Blij jou te zien. Jij doet tenminste normaal.’
‘Hoi Maryam’, zegt Nina.
‘Mijn vader en moeder’, zucht Maryam, ‘Ik word af en toe echt gek van ze. Mijn vader wordt zo streng. En mijn moeder blijft maar zingen.’
‘Ach joh, niet zo mopperen’, zegt Nina.
‘Dat zegt mijn moeder ook altijd. Sta je soms aan haar kant?’, Zegt Maryam. Ze moet toch een beetje lachen.
Er komen twee broertjes van Maryam door het beeld gerend. Joelend rennen ze haar kamer weer uit. Dan fronst Nina haar voorhoofd. Ze blijft even stil.
‘Oké’, zegt Maryam, ‘Als je zo kijkt, dan heb je een plan in je hoofd. Kom op. Vertel!’

‘Nou’, zegt Nina, ‘Omdat we nu weer vakantie hebben. Dacht ik. Kunnen we misschien wel wat zaken uitzoeken over de diefstallen van de bijenkasten. We weten al dat het niet om zomaar een toevallig iets gaat. Er is gewoon meer aan de hand. Misschien is dit wel een probleem in heel Nederland.’
‘Aha’, reageert Maryam nuchter, ‘Dacht ik het niet. Je zat op iets te broeden. Maar wat kunnen we dan doen? We weten er toch niet veel vanaf.’
‘Daar heb ik een oplossing voor’, zegt Nina, ‘Ik heb via Instagram een bijenhouder gevonden die we misschien wel kunnen vragen. Dat is in de buurt. We kunnen er op de fiets heen. En het is niet iemand die alleen maar mooie foto’s laat zien. Ik heb haar ook opgezocht op internet en het is voor haar een serieuze hobby. Zij weet ons vast ook meer te vertellen over de diefstallen.’
‘Ik weet niet hoor’, zegt Maryam, ‘Ik moet er even over nadenken. En je weet het. Mijn ouders houden me echt in de gaten. Het is Ramadan.’
‘Oké’, zegt Nina.
‘Oké, zegt Maryam, ‘Ik moet gaan. We gaan eten.’

De volgende ochtend gaat Nina met Jack bij Finn langs.
Ze wil Finn nog een keer zien voordat hij op vakantie gaat. Dit is altijd een lastige periode voor hem, want eind mei is zijn moeder overleden. Dat is nu al een paar jaar geleden. Maar ze kan aan Finn merken dat hij het moeilijk vindt. Hij praat er niet veel over.
Finn gaat in de meivakantie op pad met zijn vader en twee oudere zussen. Eén zus woont nog thuis. Maar zij is er bijna nooit. De ander is al op kamers. Finns vader is vaak druk aan het werk. Hij werkt bij een bank en loopt altijd in een net pak.
De meivakantie is in elk geval de vakantie dat Finn met zijn vader en zussen een week weggaat. En dan moet Nina hem missen. Zeker nu ze plannen heeft. Ze wil Finn ook alvast daarover spreken.

Jack blaft er vrolijk op los als ze aankomen bij het strakke, witte huis. Nina drukt op de elektronische deurbel en begint alvast gekke gezichten te trekken. Ze trekt met haar handen aan haar mondhoeken.
Ze weet dat er een camera in de deurbel zit. En dat Finn haar kan zien.
‘Hopelijk is het niet zijn vader’, denkt ze.
‘Ahum’, hoort ze boven zich. Nina strekt haar rug en veegt met haar handen snel wat lokken uit haar gezicht.
‘Goedemorgen Nina. Kom je voor Finn?’, vraagt de vader van Finn.
‘Eeeehh. Hoi!’, roept Nina net iets te hard, ‘Hallo vader van Finn. Ik kom inderdaad voor Finn.’
Ze wordt altijd een beetje nerveus bij hem in de buurt. Zelfs op zaterdag heeft hij een ongekreukt joggingpak aan. Met van die suède instapschoenen.
Jack is al naar binnen gerend. Ook dat nog.
‘Kom maar binnen, jongedame’, zegt de vader van Finn, ‘En je hond blijkbaar ook. Finn! Visite!’

Finn komt de trap afgestormd en Jack springt tegen hem aan.
‘Af Jack’, roept Nina een beetje nerveus.
Finn pakt de hond op en hijst hem onder zijn arm.
‘We gaan wel even naar buiten. Kom Nien. We lopen langs de keuken voor wat drinken. En een bak water voor Jack’, zegt Finn.
‘Jongeman’, zegt zijn vader, ‘Voordat je allerlei plannen gaat maken. Je zussen komen om elf uur. De koffers staan al klaar en we vertrekken uiterlijk om kwart voor twaalf.’
‘Ja pa!’, roept Finn terug in de richting van de gang.

Ze gaan aan de rand van het zwembad op de loungestoelen zitten. Het zwembad is nog leeg.
Jack blaft. Hij wil waarschijnlijk met een balletje spelen.
‘Ik heb niet zoveel tijd Nien’, zegt Finn, ‘Je hebt mijn vader gehoord. We gaan straks weg. We moeten naar Schiphol. En mijn vader wil altijd stipt op tijd zijn.’ Hij trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Kwam je nog even zomaar gezellig langs? Of ga je me heel erg missen?’
‘Nou’, zegt Nina, ‘Ik wil wel even weten hoe het met je gaat. En tuurlijk ga ik je missen. Dat weet je toch. En. Eerlijk gezegd. Ik kom je ook alvast wat vragen.’
‘Oh nee’, zegt Finn, ‘Ik ken die blik. Vertel!’
‘Eerst nog even zeggen hoe het met jou gaat, Finn’, zegt Nina. Ze weet dat hij dat onderwerp wil ontwijken.
‘Ja, ja’, zegt Finn, ‘Het gaat best wel goed met me. Wat dacht je als ik een week met die drie op pad moet?’ Hij schudt zijn hoofd op en neer en lacht erbij.
‘Ja lieve Finn’, zegt Nina, ‘Ik denk dat ik het wel weet.’ En ze geeft hem een stevige knuffel.
Jack springt enthousiast tegen hem op.
‘Vertel’, zegt Finn.

‘Je weet nog dat we in de kerstvakantie al die nieuwsberichten hebben gelezen over de verdwenen bijenkasten. Dat is toch raar midden in de winter. Eerder was er die vreemde zaak toen wij die omgevallen kasten in het park op het spoor waren gekomen. Jij vond dat toch ook vreemd?
Nu heb ik met mijn moeder gepraat. En zij zegt dat dit soort zaken wel vaker voorkomen. Zij kan het weten, want ze hebben op haar werk natuurlijk alleen maar opsporingsonderzoeken naar fraude met voedsel.
Mijn moeder zegt dat bij dit soort zaken een onderzoek naar één voorval vaak leidt tot andere zaken. Dan blijkt er ineens van alles achter te zitten. En zijn er allerlei andere mensen bij betrokken. Criminelen. Soms in Nederland, maar ook in Europa.
Ik wil wel eens meer te weten komen over die diefstallen. Ik denk echt dat er meer achter zit!
Ik heb het ook al met Maryam erover gehad. En ik wil dat jij met ons meedoet als je terug bent van vakantie.’
‘Oké’, zegt Finn, ‘Dat is best cool. Maar ik weet niet of wij daar veel over te weten kunnen komen. Hoe wil je dat doen?’
‘Nou’, zegt Nina, ‘Ik heb in de buurt een imker gevonden die ook op Instagram post. En ze heeft ook een mooie website. Ik zou wel eens met haar in gesprek willen om te horen of zij er meer van weet.’

‘Dat klinkt als een mooi plan. Al heb je geen idee of die mevrouw met ons wil praten. En trouwens. Ik moet eerst op vakantie.’
Ze kijken allebei op naar Jack die luidt blaft en een kuil aan het graven is in het strakke gazon.
‘O nee. Jack! Jackie, kom hier!!’, roept Nina.
De hond kijkt eerst verschrikt op en komt daarna vrolijk aangerend. Nina krijgt een zanderige snuit in haar handen geduwd.
‘Als ik terug ben, dan wil ik wel meedoen’, zegt Finn, ‘Al heb ik geen idee of er dan nog wat te onderzoeken valt.’

Nina en Maryam fietsen over het dijkje met aan beide kanten fruitbomen de stad uit.
Langs de route staan bordjes met ‘Kasteel De Haar’. Zij gaan naar Haarzuilens. Het dorpje dat naast het kasteel ligt.
Het is ineens een warme meidag. Veel warmer dan de dagen hiervoor. Ze stoppen even om hun jassen uit te doen. Tussen de bomen door zien ze het kasteel met de rood witte luiken liggen.
‘Wat is toch groot. En zo mooi! Het lijkt wel een sprookje!’, roept Maryam uit.
Twee jaar geleden zijn ze hier met hun klas van de basisschool nog op een uitje geweest.
‘Weet je nog? Onze ‘scursies’ op de basisschool. En die ene keer naar het kasteel’, vraagt Nina.
Omdat ze een paar jaar achter elkaar vaak met school weggingen, zijn ze alle schoolreizen en excursies ‘scursies’ gaan noemen.
‘Ja’, zegt Maryam, ‘En ik vond het echt prachtig. Het is ook zo groot vanbinnen. Al die zalen. Met al die vreemde oude meubels. En gordijnen van het plafond tot aan de grond. En zelfs het behang was van stof.’
‘Jammer eigenlijk, dat we nu niet meer samen gaan’, zegt Nina.
‘Ja zeg’, Maryam hijgt een beetje, ‘Dit is toch ook een scursie. Of meer een expeditie. Wat is het warm zeg. Heb jij nog water?’
‘Yep’, zegt Nina, ‘Maar niet leegdrinken he.’
Ze geeft Maryam haar fles.

In het dorp zoeken ze naar de weg. Het huis dat ze zoeken staat aan de Ockhuizerlaan. Nummer 26a. Ze fietsen de straat is, maar kunnen het nog niet vinden.
‘He Nien’, zegt Maryam, ‘Zijn we er al voorbij gefietst. Volgens mij moeten we omdraaien.’
Ze keren om. Langzaam fietsen ze terug. Nummer 30. Nummer 28. En het bordje van nummer 26a staat een beetje verstopt achter een struik aan het begin van een smalle oprit omringd door twee heggen.
‘Fietsen maar meenemen?’ zegt Nina. Ze pakt haar fiets aan de hand.
Maryam loopt achter haar aan. De oprit is best lang en het gras staat hoog. Struiken steken aan alle kanten over het pad heen. Dan zien ze een schuur. Alle twee de deuren zijn dicht.
‘Oké’, zegt Maryam, ‘En nu? Ik heb nou al spijt. Als mijn moeder erachter komt.’
Nina zet haar fiets op de standaard en pakt die van Maryam ook.
‘Kom op’, zegt ze, ‘Ik heb een foto van die mevrouw op de website gezien. Ze ziet er echt heel aardig uit.’
Nina loopt naar de schuur en voelt aan een van de deuren. Op slot. De andere ook.
‘Dan lopen we nog even verder.’
Ze lopen het pad verder af. Het staat een oude aanhangwagen langs de schuur. Een band is lek en het ding hangt scheef. Achter de schuur komt een huis tevoorschijn. Een huis met rood witte luiken.
‘Kijk’, zegt Nina, ‘Net zo mooi als van het kasteel. Joehoe! Is daar iemand?!’
Ze gluurt door een raam van het huis naar binnen. Ineens horen ze een deur piepen.

Maryam grijpt Nina’s arm vast en ze draaien zich om.
In een deuropening van de schuur staat een man met warrig grijs haar en een vreemde grijns op zijn gezicht.
‘Sjijn jullie de kinderen van de melkboer?’ vraagt hij.
Nina en Maryam kijken elkaar niet begrijpend aan.
‘Uhm’, hakkelt Maryam, ‘Nee meneer. Wij zijn met de fiets gekomen.’
‘Aha’, zegt de man, ‘Dan sjijn jullie van het andere dorp. Hier sjijn geen fietsjen meer. Willen jullie eten? We hebben niksj meer.’
‘Uhm’, hakkelt Nina nu ook, ‘We komen voor de imker. We hebben vragen over de bijen.’
‘De imker?’, vraagt de man, ‘Er isj hier geen imker! We hebben wel nog wat wintergroenten in de tuin. Maar niet verder vertellen!’
Hij zwaait dreigend met zijn arm.
‘Het lijkt of ‘ie een beetje boos wordt, Nien’, fluistert Maryam richting Nina’s oor, ‘Wat zullen we doen?’

De man schuift van de schuurdeur naar het huis. Hij mompelt wat en wuift met zijn arm.
‘Kom maar binnen, dan maak ik tjee voor jullie’, zegt hij.
Het klinkt niet alsof ze nee kunnen zeggen. Voorzichtig lopen ze achter hem aan.
‘Nou, meisjes, niet sjo verlegen. Als je sjo op pad moet voor eten, dan wordt het niksj’, zegt de man, ‘Ga maar zjitten.’
Ze zijn in een keuken aangekomen die er best modern uitziet. Nina herkent een espressoapparaat en een moderne kookplaat. Ze kijkt nog een keer niet begrijpend in de richting van Maryam. Die is op het puntje van een stoel gaan zitten.
‘Ik heb water of tjee’, zegt de man, ‘Wat willen jullie?’
Hij draait zich om en Maryam maakt met haar hand een klein gebaar bij haar mond.
‘Tanden’, fluistert ze tegen Nina en, ‘Water graag meneer’, tegen de man.
De man rommelt wat met kastdeurtjes en glazen. Dan zet hij twee glazen met water en een koektrommel op tafel. De trommel is van Harry Potter.
‘Neem maar’, zegt de man, ‘Ik krijg de trommel niet open. Lasjt van mijn handen.’

‘Zeg meneer’, zegt Nina, ‘Mogen we wat vragen? We zijn op zoek naar iemand. We willen wat vragen aan de imker die hier woont.’
‘De imker?!’, vraagt de man, ‘Er isj hier geen imker. We hebben wel nog wat wintergroenten in de tuin. Maar niet verder vertellen!’
Hier begrijpen ze niets van.
‘Het stond op internet meneer’, zegt Maryam zacht, ‘Nummer 26a. En de imker heeft ook een Instagram-account.’
‘Ik weet niet wat dat isj. Nou moet je ophouden! Proberen jullie me somsj in de maling te nemen?! Dan ben je hier niet welkom.’
De man is boos opgestaan uit zijn stoel en begint bij het aanrecht borden af te wassen. Hij mompelt.
‘Uuh, nee meneer’, zegt Nina, ‘Het spijt ons echt. We zullen ons wel vergist hebben.’
Ze nemen nog een paar slokken van het water en eten snel hun koekje op.
‘Zeg meneer, wij gaan weer. Bedankt voor het drinken’, zegt Maryam. Ze is opgestaan en sjort Nina aan haar mouw.
‘Wegwezen’, zegt ze tegen Nina, ‘Het is duidelijk dat we hier niet goed zitten. En dat we niet welkom zijn.’
‘Dag, meneer’, zegt Nina. De man kijkt nauwelijks op en ze trekt de deur achter zich dicht.

Een beetje opgelucht staan ze buiten. Maar ze zijn niks opgeschoten.
‘Hoe kan dat nou?’ vraagt Nina aan Maryam, ‘Het stond allemaal heel duidelijk uitgelegd. Ik begrijp het niet.’ Ze schopt een paar steentjes weg. Samen lopen ze terug naar de oprit.
‘Ja, Nien’, zegt Maryam, ‘Dan moeten we het toch anders aanpakken. Een ander plan maken.’
‘Zeg dames’, horen ze plotseling een vrouwenstem achter zich luid zeggen, ‘Wat komen jullie doen?’
Maryam grijpt Nina nog een keer bij haar arm. Nu iets steviger.
Ze kijken achterom en zien een groot wit bewegend pak met gele rubberen handschoenen en laarzen. Maryam slaakt een kreet van schrik.
‘Ik vind dit echt niet meer leuk, Nien’, gilt ze daarna uit.
Nina staat ook niet helemaal stevig meer op haar benen. Ze heeft inmiddels Maryam’s hand stijf vastgepakt.
‘Uhuhh’, hakkelt ze.
‘Niet schrikken’, zegt de vrouwenstem, ‘Ik ben in mijn imkerpak.’
‘Een imkerpak’, zucht Maryam.

Ze staan met de vrouw op een paar meter afstand van wel tien bijenkasten. Ze heeft zich voorgesteld als Hélène.
‘Zeg maar Hélène hoor’, lachte ze, ‘Want anders voel ik me zo oud.’
En ze wees naar haar grijze haar dat in een knot op haar hoofd zit. Ze had haar witte hoofdmasker afgezet.
Nina en Maryam hebben zich ook voorgesteld. Ze hebben verteld dat ze voor een project van school meer over het houden van bijen willen weten. Dat hadden ze zo afgesproken.
Hélène heeft ze meegenomen naar een paar velden met wilde bloemen en struiken op een flinke afstand achter het huis. Daar staan bijenkasten.
‘Dit zijn de bijenkasten die ik langer heb. Daarachter staan er twee waar ik dit jaar nieuwe volken in heb. Dat is altijd een beetje uitproberen. Je hebt verschillende soorten bijen, maar niet alle volken gaan goed met elkaar samen. Niet alleen hier, maar ook in de velden hierbuiten waar ze nectar van de bloemen en planten halen.’
‘Hoeveel bijen zitten er in één kast?’ vraagt Nina.
‘Wel 50.000 in de zomer’ zegt Hélène, ‘En die bestaan allemaal dankzij één koningin. Dit is een mooie tijd in het voorjaar. Want de bijen willen graag op pad als het warmer weer wordt. Vergelijk het maar een beetje met koeien die graag voor het eerst weer de wei in gaan. Die rennen altijd een beetje gek. Die bijen kunnen ook als een groep drukke schoolkinderen zijn. Of rennende koeien.’
Nina en Maryam lachen. Dat kunnen ze zich wel voorstellen.

‘En, eh’, vraagt Maryam voorzichtig, ‘Wie is die meneer in het huis. Hij heeft ons wel een beetje bang gemaakt.’
‘Oh, nee’, zegt Hélène, ‘Bang gemaakt? Dat was niet zijn bedoeling. Mijn man heet Hendrik. Of Dirk. Zo noemde vroeger zijn vader en moeder hem al. Soms is hij een beetje in de war. Maar hij doet geen vlieg kwaad.’
‘Nou, gelukkig’, zegt Maryam. Ze kijkt Nina even vragend aan.
‘En die mooie foto’s op Insta’, vraagt Nina, ‘Waar komen die vandaag? En uw mooie website?’
‘Geen ‘u’ zeggen meisje’, zegt Hélène, ‘Fijn om te merken dat je goed opgevoed bent, maar dat hoeft echt niet hoor. Die mooie foto’s en mijn pagina op internet, dat doet mijn mijn kleinzoon David.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s